De Gracieuse 22 March 1867 | Page 7

in de bovenstof, door b op b en c op c te bevestigen; d van den bovensten reep stof moet op d van den on-

dersten sluiten; hierop wordt nu in de beide lagen der stof door d op d te hechten eene plooi gelegd. Het garnituur wordt aan den bovenrand afgesloten met een schuinen reep

1 d. br.

Coiffure met een collier.

Afbeelding No. 90.

De banden van deze coiffure wordt gevormd door een zwart flu-

weelen lint 4 d. br., op de helft van de breedte toegevouwen; in het midden is er een punt in genaaid, het is met barnsteenen grelots ver-

sierd, en ligt vlak op het hoofd. Aan de linkerzijde sluit er zich een tak lichtgele rozen aan, waartusschen lussen en einden van zwart fluweelen lint, verder afhangende koorden met barnsteenen kralen in

kwasten eindigende zijn gehecht. Aan de einden van dezen bandeau

is een collier uit barnsteenen grelots en kralen samengesteld (zie de

afbeelding) gehecht.

Coiffure “Résilla” met een collier van kralen.

Afbeelding No. 91―93.

Deze coiffure is voor het toilet van eene jonge vrouw bestemd, zij bestaat in een fond in den vorm van een netje, uit kristallen en witte satijnkralen samengesteld; in de rondte is er zwart fluweelen lint, in

Verschil-

lende garni-

turen voor

gekleurde

rokken.

Afb. No. 87―89. Knippatr.

bij afb. No. 89. Keerz. v. h.

Suppl. No. XV, Fig. 42.

Eenige fraaie garnituren voor rokken die zeer gemakkelijk zijn

uit te voeren.

Afb. No. 87 stelt een gedeelte van

het garnituur van den rok No. 85 op

de helft van de oorspronkelijke grootte

voor; het bestaat uit een breeden reep van

de stof van den rok, waarin op regelmatige afstanden, ongeveer 5 d. van elkaar verwij-

derd, loodrechte plooien 1 d. breed zijn gelegd. Langs de binnenvouw van elke plooi wordt de reep op den rok vastgenaaid, op de buitenvouw van elke

plooi wordt zwart fluweelen lint 2 d. br. met een enkel steekje vastgehecht, het wordt vooraf zoodanig op den reep genaaid dat de steken niet zichtbaar zijn. Met een schuinen opgestikten reep van de stof 2 d.

breed, wordt het garnituur aan de bovenzijde afgesloten.

Het garnituur afb. No. 88 wordt gevormd door een reep der stof 11 d.

breed, aan de eene lange zijde met een schuinen reep der stof van eene afstekende kleur, 1½ d. breed geboord en met dicht op elkaar gelegde stolpplooien 2 d. breed voorzien. In het midden van de breedte van den

reep zijn de plooien in de dwarste

met voorsteekjes doorgenaaid,

waarbij men tevens de stof van

den rok die met den reep wordt

gegarneerd meevat; elke plooi

is bovendien in de bovenste

helft met de buitenvouwen

volgens de afb. bij elkaar

gehaald, de afb. wijst bo-

vendien aan de eerste

plooi met kruis en punt

de plaats aan waar zij

moet worden vastge-

hecht. Met een reep

der stof, op de helft

van de breedte toe-

gevouwen, wordt

het garnituur aan

den bovenrand af-

gesloten.

Voor het garni-tuur afb. No.

89, waarvan de samenstel-

ling door het knippatr. fig. 42 wordt op-

gehelderd, heeft men een reep van de stof van den japon 8 d. breed en een reep van eene

afstekende kleur 6 d. br. noodig, de eerste aan de eene lange zijde ge-

zoomd, de laatste met een schuin reepje zonder inlegkoord geboord. In

den breedsten dezer reepen zijn eenvoudige plooien 2 d. breed even ver van elkaar verwijderd gelegd, in den smallen, dubbelen stolpplooien. Bij het schikken van de plooien legt men beide reepen, den smallen bovenaan, met de beide randen van de stof op elkaar, en schikt er dan volgens de afb. en naar aanwijzing op het knippatroon de plooien in; hierop is de onderste reep stof door eene gladde, de bovenste door eene gegolfde lijn aangege-

ven. Eerst legt men in de beide gedeelten van de stof door volgens aanwij-zing op fig. 42, a op a te leggen eene plooi, dan een stolpplooi alleen

[22 Maart 1867. 5e Jaargang.] DE GRACIEUSE. 67

punten geschikt en met grelots van de bovenge-

noemde kralen versierd omheen gelegd. Het gra-

cieuse garnituur van ons zeer ongemeen model wordt vol-

tooid door een tak rozen aan

de linker zijde van de coiffure ge-

hecht; als men in plaats van rozen eenige takjes vlier, een touffe papa-

vers, viooltjes of iets dergelijks kiest, verder voor den fond zwarte kralen neemt, dan kan deze coiffure ook door

meer bejaarde dames gedragen worden. Afb. No. 91 geeft de coiffure op het hoofd geschikt te zien, terwijl afb. No. 92 den bodem uitgespreid maar tot op een vierde verkleind voorstelt. Naar

deze afbeelding zal zij gemakkelijk te vervaardigen zijn; men knipt een stuk carton van de noodige grootte en naar den vorm van den bodem, hecht er

langs den buitenrand het fluweelen lint, waarin vooraf punten zijn gelegd op en voorziet het den kruisgewijze met de rijen kralen, waarbij men deze aan de binnenste punt van het fluweelen lint vasthecht. De grelots worden aan de buitenste punten van het fluweelen lint genaaid, de tak bloemen naar afb. No. 91 aan de coiffure bevestigd. De collier die de dame op afb. No. 91 draagt, is van ronde zwarte kralen in mozaiekwerk uitgevoerd, telkens met 11 d. tusschenruimte, door een ovaal geslepen kraal afgewis-

seld; de collier waarvan afb. No.

93 een gedeelte in oorspronkelijke

grootte voorstelt, wordt voltooid

met een klein gitten kruis. Bij

het vervaardigen van den col-

lier rijgt men op een langen

draad dikke zwarte zijde,

waarvan elk eind in een naald

wordt gestoken 4 kralen,

kruist dan den draad in den

laatst aangeregen kraal,

rijgt op den eenen draad

2 kralen, op den ande-

ren 1 kraal, steekt den

laatsten draad door de

laatste der beide kra-

len die tegelijk zijn

aangeregen en her-

haalt van * tot het

werk eene lengte

van 11 d. heeft

verkregen, dan

rijgt men op

beide draden

een ovale kraal

en gaat zoo voort totdat men de noodi-ge lengte voor den ketting heeft. Als men dezen tot eene ronding heeft

gesloten, dan hecht men er het kruis aan.

Twee takken bladeren van glaskralen ter garnee-

ring van japonnen, hoeden, kapsels enz.

Afbeelding No. 94 en 95.

Deze takken bladeren van zwarte kralen vervaardigd zijn zeer fraai, gemakkelijk na te maken en voor vele voorwerpen te bezigen. De bladeren van den tak No. 94 bestaan uit afzonderlijke langere en kortere lussen kralen in elkander gestrengeld en straalvormig geschikt. Voor elk van deze lussen wordt een eind bloemenijzerdraad vereischt van 6―8 d., hierop rijgt men 26―34 kralen, buigt het ijzerdraad in het midden te

No. 83. Ceintuur “Castillane.”

No. 84. Linnenmand. Knip- en borduurpatr. van het garnituur:

keerz. van het Supplem. No. XIV, Fig. 40 en 41.

No. 86. Rok van shirting met geeren en queueplooien.

Achterzijde.

Knippatr., keerz. v. h. Supplem. No. VIII, Fig. 27―32.

No. 85. Cachemiren rok met geeren en queueplooien.

Voorzijde.

Knippatr., keerz. v. h. Supplem. No. VIII, Fig. 27―32.

No. 87. Garnituur voor een gekleurden rok. Bij afb. No. 85.

Helft van de oorspronkelijke grootte.

No. 89. Garnituur voor een gekleurden rok. Oorspr. grootte.

Knippatr., keerz. v. h. Supplem. No. XV, Fig. 42.

No. 88. Garnituur voor een gekleurden rok.

Oorspronkelijke grootte.