De Gracieuse 22 March 1867 | Page 3

rijgt men met borduurkatoen met voorsteekjes om, de steken moeten niet te groot genomen worden, daar de vorm van de teekening hier-door verloren gaat en het meer moeite bij het borduren veroorzaakt. In

de hoeken moeten de steken zeer klein genomen worden, omdat eerst-genoemden later scherp moeten uitkomen. De opening tusschen de omtrekken vult men met kettingsteken op, doch ook dit moet niet te dik wezen, daar het borduurwerk hierdoor een lomp aanzien ver-

krijgt. Deze beide soorten, het omrijgen en opvullen, worden bij alle figuren die met den platten- en festonneersteek gewerkt worden, ge-

bezigd.

Afbeelding No. 14 toont het uitvoeren van den feston-

neersteek in eene rechte lijn aan. Als men een zoodanig heeft omge-regen, dan begint men van de linker naar de rechter zijde te festonnee-ren, daar men eerst het werk volgens de reeds vermelde wijze in de linkerhand neemt en den draad met eenige voorsteekjes bevestigt. Dezen draad houdt men dan onder den omgeregen draad met den

duim van de linkerhand vast, dan steekt men de naald boven de om-geregen draad in de stof, voert haar onder dezen en over den draad waarmede men werkt weder door en haalt laatstgenoemde voorzichtig

[22 Maart 1867. 5e Jaargang.] DE GRACIEUSE. 63

aan. Op deze wijze worden de steken herhaald. Zij moeten gelijkmatig

en dicht naast elkander liggen, zonder de stof in te trekken.

Afbeelding No. 15. De rechte steelsteek of het cordonnee-

ren. Terwijl de festonneersteek van de linker naar de rechter zijde ge-werkt wordt, voert men den rechten steelsteek als ook den stik- knoop- en platten steek van de rechter naar de linkerzijde uit. De steken wor-den even als bij den festonneersteek gewerkt, alleen moet de naald niet boven, maar gedurig in eene loodrechte richting onder den draad waar-

mede men werkt uitkomen.

Afbeelding No. 16. De schuine steelsteek wordt zonder

een ondergeregen draad gedurig in dezelfde richting van boven naar onderen gewerkt. Als de draad waarmede men werkt is bevestigd dan steekt men de naald ongeveer 5 draden verder van boven in de stof, steekt haar tusschen den eersten geweven draad en den laatsten steek weder uit en zoo voort. Op deze wijze moeten er op de verkeerde zijde stiksteeken gevormd worden. Deze soort van steelsteek komt meestal bij fijne lijnen van figuren van het patroon voor en bij de halen van

letters.

Afbeelding No. 17. De stiksteek, waarvan de uitvoering be-

kend is, dient meerendeels tot vulling van afzonderlijke gedeelten van figuren en wordt dan in rijen dicht naast elkander uitgevoerd. (Zie

afb. No. 52 en 53).

Een tweede soort stiksteek (point croisé), alleen bij

doorschijnende stoffen in gebruikt, wordt door de afbeeldingen No. 18 en

19 voorgesteld. Deze stiksteek vormt aan de verkeerde zijde van het werk een weefsel van draden (zie afb. No. 19) en tevens een onderlaag, waar-

door de geborduurde figuur een afstekenden matten toon verkrijgt, zooals afb. No. 57 aan de drie onderste bladeren van de bloem aantoont. Om de-zen steek uit te voeren steekt men de naald evenals bij een gewonen stik-steek in, voert haar onder de stof in eene schuine richting naar de paralel loopende omtrekken van het patroon en van daar aan genoemde plaats uit. Nu wordt de naald weder op nieuw even als bij een gewonen stiksteek in-gestoken en moet in eene schuine richting onder de stof naar den eersten omtrek en aan de plaats voor den volgenden steek bestemd weder uitko-

men. (Zie afb. No. 18).

Deze knoopjes dienen insgelijks tot vulling van afzonderlijke gedeel-ten van het patroon. Afbeelding No. 20 toont het eenvoudigste soort van knoopen, die elk uit twee stiksteken op geringe afstanden en over denzelf-

den draad gewerkt, bestaan.

Voor de knoopen, afbeelding No. 21, neemt men telkens onge-

veer vier geweven draden op de naald en steekt haar tot op de helft van

met de aanwijzing van eenige algemeene regels, die, wanneer zij bij het werken in acht worden genomen, aanmerkelijk veel tot ge-

mak en sierlijkheid bijbrengen. Bij het wit borduren worden verschil-lende soorten van stof gebruikt, als: batist, neteldoek, nansoek, cam-

briek, piqué, linnen enz.; het spreekt van zelf dat het materiaal voor het borduren bestemd, met de gekozen stof moet overeenkomen; de naald en de draad moeten geheel in overeenstemming zijn, eerstge-

noemde moet van middelmatige lengte doch een weinig dikker wezen als de draad, waarmede men werkt en deze zeer weinig gedraaid zijn. Hoe losser het borduurkatoen is, des te beter valt het borduurwerk uit. Het zoogenaamde fransche borduurkatoen in kleine strengen is het geschikste voor wit borduren. Geoefende borduurster voeren het werk los in de hand uit, zonder het op te spannen; het opspannen van het werk vereischt tijd en schaadt eenigszins aan de onbewerkte stof van het borduurwerk, daar elke hechtsteek, vooral wanneer het werk een weinig wordt ingetrokken, kleine gaatjes achterlaat. Evenwel ra-den wij de minder geoefenden en eerstbeginnenden aan, de eerste proef van het wit borduren niet los op de hand te werken, maar op te span-

nen. De stof die geborduurd moet worden spant men op wasdoek. Werkt men later los op de hand, dan legt men dat gedeelte dat gebor-

duurd moet worden, geheel strak over den linker wijsvinger; doch de

stof moet niet schuin liggen, waardoor zij scheef en ingetrokken wordt, de stof moet zoo liggen, dat de draad recht en strak getrokken kan worden. De drie andere vingers moeten het werk vasthouden, de duim blijft vrij, om aan elken steek de juiste richting te geven. De nagel van den duim moet, terwijl de naald de stof doorsteekt, dicht aan de lijn van het pa-

troon die naar de borduurster gericht is liggen, ten einde de naald niet te diep voorbij den omtrek te steken. Bij voltooiing van den steek schuift de duim den draad in de vereischte richting. Het borduurwerk moet, wan-

neer men begint, steeds zoo liggen, dat alle buigingen, die in het werk voorkomen, zoo omgeregen worden, dat de buitenste, wijdste lijn van een figuur van het patroon met twee omtrekken geteekend, naar de werkster gericht is. Ter verduidelijking is een gedeelte van de afbeeldingen die bij de verklaring van het wit borduren behooren, vergroot voorgesteld. Het omrijgen en opvullen van de figuren van het patroon is bij het bor-

duren eene hoofdzaak, daar de vorm van de figuren niet zuiver kan zijn, wanneer het omrijgen niet naar behooren en voorzichtig geschied is. Afb. No. 13 stelt het omrijgen van een boog voor. Men neemt hiervoor in den regel meestal grover katoen; de draad moet bij het borduren nergens met een knoop worden begonnen en hoogstens eene lengte van 40―45 d. hebben. De omtrekken van de bogen die vooraf op de stof geteekend zijn

No. 12. Dertien verschillende vignetten en namen voor zakdoeken.